Miljoenenstrop voor verzekeraars
Basispakket zorgverzekering vermagert
Voor zorgverzekeraars is het ieder jaar weer een uitdaging om de verzekeringspremie af te stemmen op de uitgaven aan ziektekosten. De relatief kostbare gezondheidszorg in Nederland resulteert in stijgende kosten. Een deel van de kostenstijging komt voor rekening van verzekerden. Zo hebben veel zorgverzekeraars in het afgelopen jaar de premie voor de basiszorg of aanvullende zorgonderdelen verhoogd. Ook voor het komend jaar is de consument naar verwachting duurder uit. De verliezen die zorgverzekeraars gemaakt hebben op beleggingen en de lastig in te schatten risico’s laten weinig ruimte voor premieverlagingen.
De premies van aanvullende zorgverzekeringen zijn in de afgelopen twee jaar met zo’n 18 procent gestegen. Hiermee compenseren zorgverzekeraars de basisverzekering die in veel gevallen verliesgevend is.
CZ en Univé, VGZ, IZA enTrias verliezen miljoenen
Onder andere CZ heeft met 2008 een onfortuinlijk jaar achter de rug. Het verlies op beleggingen bedroeg bij CZ 94 miljoen euro. De premie-inkomsten waren, in tegenstelling tot in 2007, niet voldoende om de forse verliezen goed te maken. In totaal incasseerde de Bredase zorgverzekeraar een verlies van 51 miljoen euro. Een verlies dat nog in het ‘niet valt’ bij het totale verlies van de samengevoegde zorgverzekeraars Univé-VGZ-IZA-Trias. Mede door het verlies op beleggingen maakte deze combinatie in 2008 maar liefst 187 miljoen euro verlies. Dat zal forse gevolgen hebben voor de premie van de komende jaren.
Maximale declaratiebedrag invoeren
Een van de moeilijkheden waar zorgverzekeraars mee kampen, is het inschatten van de uiteindelijke kosten die verzekerden in een bepaald jaar declareren. Onvoorziene hoge kostenposten kunnen de financiële positie van zorgverzekeraars behoorlijk ondermijnen. In het Financieele Dagblad pleit doctorandus en internist Wim Huppes daarom voor een limiet aan de kosten die gedeclareerd kunnen worden bij een zorgverzekeraar. In dat geval weten verzekeraars beter waar ze aan toe zijn en kunnen de kosten voor de verzekering wellicht omlaag. Ook streeft de internist naar het toetsen van behandelingen op de uiteindelijke uitwerking ervan. Een voorbeeld van het laatste is de voorgestelde norm dat door een behandeling de kans op overleving, of het voorkomen van invaliditeit, ten minste met vijf procent moet stijgen, een op z’n minst discutabel standpunt.
Ethisch vraagstuk
Bij het uit het basispakket halen van bepaalde behandelingen is de hamvraag hoe deze dan gefinancierd wordt. Een van de opties is dat de overheid zorg draagt voor het bekostigen van behandelingen die buiten de verzekering vallen, of die het maximale budget per behandeling overstijgen. Echter, het is voor de hand liggend dat de overheid dit budget vrijmaakt uit belastinginkomsten. Uiteindelijk is het dan toch diezelfde consument die de behandelingen mogelijk maakt.
Een bijkomende optie is het sluiten van een aparte verzekering voor specifieke risico’s. Wanneer de kans groot is dat iemand een rolstoel nodig heeft in de toekomst, kan deze persoon zich daarvoor apart verzekeren. Een dergelijke aanpassing van het zorgverzekeringsstelsel zal het solidariteitsbeginsel onder druk zetten. In de huidige situatie vergoeden alle verzekerden bij elkaar ook de behandelingen die in het voorstel worden uitgesloten.
Ieder jaar wordt driftig gezocht naar mogelijkheden om de toenemende kosten van de zorg op een zo effectief mogelijke manier te kunnen dekken. Ook het voorstel om te kostbare of te ‘weinig zinvolle’ behandelingen uit de basiszorg te schrappen hoort daarbij. Of dit bijdraagt tot een meer evenwichtige bekostiging van de zorg en een wenselijke situatie staat echter op zijn minst ter discussie.
hdw 080609








